Tochten in de Ecrins 4: Gevaar
In deze serie schrijf denk ik terug aan mijn wandeltochten in de Ecrins.
Terwijl Edwin zich nog een keer omdraaide zette ik Bassie uit de bus. Hij kon zichzelf wel uitlaten deze ochtend. Ik keek hem na terwijl hij op een drafje richting de over van het meer van Serre Ponҫon vertrok. Verderop stortte de rivier de Durance met bulderend geraas in het meer. De zon scheen op de toppen van de bergen aan de overkant. Een hooggelegen groene bergvallei scheidde de Hoge Alpen van de Hoge Provence, met de Pic de Morgon als hoogste punt
Ik maakte koffiebonen in de handmaler, terwijl ik Sunday Morning Put-On van Andrew Bird opzette. Lekker jazzy. Er was niemand op de camping, behalve een groepje jongeren. Midden tussen hun tenten stond een klein plastic tafeltje helemaal vol met lege flessen sterke drank. Die zullen voorlopig nog niet wakker zijn dacht ik. Ik stond al zo lang op deze plek dat ik de weinige andere campinggasten had zien komen en gaan. Een fietser uit Slovenië. Een Franse 4x4 camperbus. Een Kroatische wandelaar. En nu deze groep jongeren.
Na ons tweede ontbijt aan de picknicktafel langs de Durance, op het commerciële terrein langs de provinciale weg bij Embrun, tussen de benzinepomp, de hypermarkt en de bouwmarkt gingen we op pad richting het klooster van Boscodon. Daar lieten we de bus achter en gingen te voet verder omhoog richting de bron van de beer. Van daaruit trokken we verder naar Col de la Baisse (2035m). Het was een flinke klim.
Onder de bomen en op andere stukken waar de zon niet kwam lag nog een pak sneeuw. Bassie rende enthousiast voorruit om erin te rollen, graven en glijden. Zijn geluk kon niet op. Het bos rook naar dooi. Het ontwaakte pas net uit de winter. We waren aan de noordkant van de berg. Natte plakken mos hingen in de bomen. Vogels leken pas net tevoorschijn te komen.
Opeens schoot er een gems langs. In volle galop rende hij recht naar beneden en zwenkte een lagergelegen bos in. Niet veel later volgde een tweede. Zo dichtbij. Edwin, Bassie en ik keken ze betoverd na. Wat een prachtige dieren. En wat een behendigheid. Wij ploeterden verder omhoog. Traverseerden over een vlakte met puin en kwamen een jong stel tegen die met een volle kampeeruitrusting terug naar beneden liepen. Ze hadden in de bergen geslapen. Ik was ze al vaker rond Embrun tegengekomen en wist dat ze in een oude Mercedes camper woonden die vaak naast onze camping geparkeerd stond.
Even later kwamen we boven de boomgrens. Het was er plezierig warm. Een enorme groene vallei strekte zich voor ons uit. Een paar honderd meter onder ons lag een klein bergmeertje. Wat had ik graag naast dat meertje geslapen! Edwin ging met Bassie in het gras liggen. Ik wilde nog een eindje verder omhoog. Altijd net een eindje verder. Om te kijken of er nog iets te ontdekken valt. Eenmaal boven kon ik naar de andere kant kijken, richting de Ubaye. Er cirkelden zweefvliegtuigjes en een parapente bij de Pic de Charence, toch 2300 meter hoog.
Later, toen Edwin alweer in Amsterdam was ontmoette ik een vrouw in de surfwinkel met beide ellebogen in het verband. Zij vertelde dat ze was aangevallen door honden die een kudde bewaakte. Precies op de plek waar Edwin, Bassie en ik gewandeld hadden. Ze zei dat ze zich normaal gedragen had en niets verkeerd had gedaan richting de honden. Dat er geen kudde in de buurt was en dat de honden flink van de kudde afgedwaald waren. Dat de herder veel te laat was gekomen en niet adequaat had ingegrepen. Ik begreep dat ze nog behoorlijk emotioneel was en voelde dat het vast niet helemaal zo gegaan zou zijn, maar toch. Wat als wij daar met Bassie hadden gelopen?