Intussen op de werkvloer, deel 1: 'vergaderen'.
In deze serie schrijf ik over mijn avonturen op de werkvloer
Ik was te gast bij de bijeenkomst ‘Neurodiversiteit op de werkvloer’ bij de Ministeries van Economische Zaken. Klimaat en Groene Groei en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Na het indrukwekkende verhaal van Rushyl Molai, een jonge ondernemer met niet-aangeboren hersenletsel die een prikkelarme sportschool is begonnen, mocht ik vertellen over hoe het is om te werken met autisme.
Er zaten 130 mensen in de zaal waarvan velen zich identificeerden met neurodivergentie of anderszins geïnteresseerd waren, waaronder ook ‘collega-leidinggevenden’ bij de Rijksoverheid. Terwijl ik de vragen van moderator-dagvoorzitter Martijn Tillema zo goed mogelijk probeerde te beantwoorden verdween de zaal en eigenlijk de hele omgeving in een waas.
Ik vertelde dat ik in mijn nieuwe rol als interimmanager precies goed tot mijn recht kom. Als interimmanager word ik ‘niet gehinderd’ door al te veel sociale betrokkenheid. Met een beetje afstand kan ik luisteren en observeren, ordenen en een plan in gang zetten met wat nodig is. Juist mijn kijk op de wereld helpt me ‘heel zuiver te analyseren wat er nodig is op een bepaalde werkplek om te (helpen) deze weer gezond te maken en op basis daarvan beslissingen te nemen.’ Dit zijn niet mijn woorden, ze komen rechtstreeks uit het boek van Annelies Spek. [Autismespectrumstoornissen bij volwassenen, DSM-5 editie, 2018]. Er zijn er dus meer zoals ik.
Ook vertelde ik dat ik spaarzaam moet zijn met mijn vergadertijd (but shouldn’t we all?), omdat de niet zo prikkelvrije omgevingen mij veel energie kosten. Vooral als het terugkerende rituele sociale dansen zijn, waar kennelijk van alles onuitgesproken gebeurt maar weinig resultaat geboekt wordt én de onderwaterwereld ook onbenoemd en ongebruikt blijft. Dat is zonde.
Een voorbeeld van zo’n terugkerend overleg is het PO (persoonlijk overleg) of de Bila (bilateraal overleg, niet tussen landen?) zoals dat bij sommige werkgevers heet. Zo’n overleg tussen twee mensen (bijvoorbeeld leidinggevende en medewerker of opdrachtgever en opdrachtnemer) vind ik alleen daarom al niet prettig, omdat een agenda meestal ontbreekt. Dan kan ik me niet voorbereiden. En onvoorbereid in een (sociale) situatie terecht komen, daar hou ik niet van.
Plus, effectief is het meestal ook niet. Van elk te bespreken punt heb ik het liefst vooraf scherp of het ter informatie, besluitvorming of meningsvorming is. Zo kan iedereen vooraf bepalen, eventueel in overleg met de andere genodigden, of het collectief van de vergadering baat heeft bij zijn of haar of hun aanwezigheid.
Een persoonlijk overleg kan overal over gaan. Het kan een evaluatie van functioneren zijn. Het kan een feedbackgesprek zijn. Het kan het bespreken van de voortgang zijn. Het kan het bespreken van een knelpunt zijn. Of het kan ogenschijnlijk helemaal nergens over gaan, zoals ‘hoe was je weekend?’ (antwoord ‘druk’). Meestal is het een combinatie van al het bovenstaande kriskras door elkaar. Er wordt trouwens ook zelden een verslag van gemaakt.
Als programmamanager van een aantal programma’s had ik op een gegeven moment 43 keer per twee weken PO in mijn agenda staan (medewerkers, coördinatoren, opdrachtgevers, Mt-leden van andere directies, belangrijkste stakeholders). Dat was ruim 10 uur per week! Sindsdien doe ik niet meer mee aan standaard reeksen van persoonlijke overleggen in mijn agenda. Ik loop rond, bel of organiseer een inloop uur. Indien nodig beleggen we een bespreking over een bepaald onderwerp. Soms ervaren mensen het afschaffen van een persoonlijk overleg als verlies. Ik denk dat er dan iets anders aan de hand is. Misschien een gebrek aan écht contact of een gebrek aan elkaar zien voor wie je bent?